Blijkbaar helpt het echt om uit te spreken dat het even wat minder gaat. Toegeven aan. Als ik mijn vorige blog teruglees is het ook net alsof ik mezelf een spiegel voorhoud. Wanneer het over een ander zou gaan, zou ik zeggen: “Méns, doe eens rustig. Natuurlijk ben je moe van alles. Gun jezelf even wat ruimte. En wat credits.” De begripvolle reacties van anderen helpen ook. Een beetje support is altijd fijn!
Afgelopen week heb ik wat meer de rust opgezocht. Er is elke dag wel iemand om me heen en ik moet me gewoon wat meer terugtrekken. Dat is gelukt en ik voel dan ook de rust die dat brengt. Op de dexadagen heb ik verwoed onkruid tussen de tegels vandaan gepeuterd. Dat heb ik altijd al een heerlijk klusje gevonden en nu was het ook echt een uitlaatklep. En nee, dat ga ik niet bij een ander doen 😉 Met mijn fysiek krijg ik het hier al nooit klaar. Op zaterdag ging het zoals altijd weer beter en wilde ik naar de stad. Ik had een lijstje gemaakt met dingen die ik nodig had. Alfred ging mee. Lijstje afgewerkt en weer naar huis. De drang om ook naar andere winkels te gaan weerstaan. Komt wel weer. Het lijkt erop dat ik mezelf weer heb gereset naar de fabrieksinstellingen. Door de ervaringen uit het verleden voelt het ook best comfortabel om daar weer genoegen mee te nemen. Zó moest het!
Woensdag mag ik weer terug naar de chemo fabriek. Fabriek was het eerste wat in me opkwam toen ik daar voor de eerste keer kwam. Maar ik vond het een beetje burgertruttig van mezelf. Verwend door (bijna) altijd behandeld te zijn op een chemo-unit voor maximaal 12 patiënten tegelijk. Met een team verpleegkundigen die als een goed geoliede machine de boel runnen. Maar het gevoel ging niet weg en toen Alfred me de vorige keer kwam zoeken tussen al die bedden zei hij het ook. ‘Pfff…. wat een fabriek hier.’ De behandelruimtes zijn verdeeld over twee verdiepingen. Twee keer een lange rechthoek van bedden, kamertjes voor poliklinische ingrepen zoals een beenmergpunctie, nissen voor de voedingsassistentes en computerplekken voor de verpleegkundigen. De ene verdieping heeft twee gangen, gesplitst door een dubbele rij bedden die weer gescheiden zijn door een kast. In die kast ligt ook altijd wel iets wat een verpleegkundige nodig heeft. De pleisters die ik nodig heb, hebben ze dan weer niet. Ook het specifieke naaldje voor mijn pac moet altijd ergens opgescharreld worden. “Weet je zelf welk naaldje er gebruikt moet worden voor je pac?” Wordt er elke week gevraagd. Met een beetje pech kijk je in het gezicht van twee andere patiënten en lig je aan de gang bij de nissen van de voedingsassistenten en de computerplek van de verpleegkundigen. Er wordt veel overlegd, gekletst, heen en weer gelopen, gemopperd en geroddeld. Aan je bed is men vriendelijk en de zorg is goed hoor. Maar je merkt dat de werkdruk hoog is, er door het grote team kliekjes zijn. Het toedienen van de daratumumab kost wat tijd en daardoor kan ik soms wat vragen stellen. Ben dan wel weer geïnteresseerd in hoe het daar werkt. Het blijkt dat de planning te wensen overlaat. Daar kan ik me wat bij voorstellen. Regelmatig krijg ik een melding dat mijn aanvangstijd is opgeschoven. Soms één tot drie keer op een dag, soms één tot drie keer in een week. Een volgende keer zal ik eens vragen hoeveel bedden ze eigenlijk hebben. Het lijkt mij ook heel moeilijk om daarvoor een planning te maken. Met alle nieuwe chemogevallen die tussendoor komen.
De andere verdieping heeft een rij minder en is daardoor veel rustiger. Maar personeel en patiënt mag geen voorkeur aangeven heb ik al begrepen. Jammer.
Ook de bloedprikpoli is een fabriekje op zich. Maar die lijkt over het algemeen goed te lopen. Ik zie steeds twee dezelfde gezichten die naar mijn idee de oude rotten in het vak zijn. Eén van hen lijkt op een Nederlandse comedian en ik denk dat hij deze rol met verve zou vervullen. Heb dan ook altijd een binnenpretje als ik me bij hem aan de balie moet melden. Prikken gebeurt door studenten, verpleegkundigen en soms een arts. De laatste keer dat ik me melde bij de balie, liep het systeem vast. De verpleegkundige noemde het aan haar collega maar kreeg alleen een meewarige blik. Ik vond het ronduit onbeschoft. Gelukkig liet ze zich niet uit het veld slaan en regelde handmatig mijn stickers voor de buisjes waar het bloed in moest. Helaas was ze er één vergeten en belde mij daarover op toen ik onderweg was naar de behandelafdeling. Ze stond me op te wachten met de stickers in haar handen. De wachtkamer was door de storing volgelopen maar ze loodste me meteen door naar de prikkamers en schoot een arts aan. Ik kreeg veel excuses die ik weg wuifde. Ze had enorm haar nek voor me uitgestoken. Toen ik klaar was wierp ik nog een blik op de balie en zwaaide naar haar. De collega die meewarig had gekeken stond peentjes te zweten achter haar computer en de verpleegkundige die zo haar best had gedaan voor me, hielp haar vriendelijk op weg.
Fabriek of niet, menselijkheid maakt de zorg. Petje af voor diegenen met de juiste (fabrieks) instelling. En ik geef me morgen weer over aan de zorg die ik zo hard nodig heb. Naaldje nummer 19, zal ik zelf maar vast aankondigen. En ik heb mijn eigen pleister mee. De daratumumab moet deze keer links in mijn buik, de carfilzomib loopt in een half uur in. Dan nog een kwartiertje spoelen. Als het moet kan ik het ondertussen zelf. Dan wordt het pas echt fabriekswerk. Maar ik hoop dat dat geen toekomst wordt.